Papa, ik lijk steeds meer op jou* Joris Een klein meisje, blonde haren in een staartje met een lief jurkje aan, huppelt aan de hand van haar vader langs de bonte rij dahlia’s van opa. Ze snoept van de druiven in het kasje van oma. Een paar jaar later loopt ze in de voetsporen van papa langs de koeien tussen de bloemen van een alpenwei. Het zout op de handjes lokt de vlinders. Tien jaar: op de fiets met vier in de rij in Engeland. Papa altijd voorop, dan broertje, meisje, mama. In Engeland bewondert ze de witte border in de tuinen van Sissinghurst, onwetend van het feit dat deze tuin voor tuinmensen niet minder is dan het walhalla. Foto’s in plakboeken vertellen mijn verhaal. Als tiener leg ik mijn hand in de hand op de rug van mijn schaatsende vader, om het tempo bij te houden. Links, rechts over de Nieuwkoopse plassen tussen het riet. Mijn vader is een natuurmens, altijd buiten aan het werk in tuinen, leverancier van tuinbenodigdheden zoals grond, graszoden en tegels. Bezig in zijn eigen tuintje of in de polder op een opslagterrein omringd door natuur. In het voorjaar tijdens de topdrukte noteer ik de telefonische bestellingen: ”Drie kubieke meter zwarte grond, drie kubieke meter compost en tien vierkante meter graszoden, wanneer wilt u het bezorgd hebben?” Zoete herinneringen aan geurende kamperfoelie op een warme zomeravond in de achtertuin. Dan slaat het noodlot toe. Mijn vader is ernstig ziek. Kanker, uitgezaaid in zijn rug. Het is mei, hij heeft veel pijn. Dat zie je als hij loopt, maar hoor je niet. Ik tref hem aan in de volkstuin op een ligbed, met een verrekijker in zijn hand. ”Wat zie je?”, vraag ik. ”Kijk,” zegt hij, ”hoe mooi … hommels vliegen daar van bloem naar bloem.” Ik ben ontroerd en veeg een traan weg. In augustus sterft hij, vijftig jaar oud. We dragen kleurige kleding en de boeketten zijn samengesteld als uit een bloemenweide. Nu ben ik vijftig. Een ontluikende bloem, een onelegant plonzende kikker in de vijver, een zoemende bij, mijn huppelende konijnen; alles in mijn eigen wildernis kan me ontroeren. Op het moment dat het leven tegenzit, denk ik terug aan papa en zijn verrekijker en weet dat mijn eigen gras altijd het allergroenste is. *naar Stef Bos, papa 1990 Ellen van der Peet Onze patiotuin is een tuin naar mijn hart. Veel te klein weliswaar - want ik zou er nog veel meer groen in willen onderbrengen dan er al staat. Maar hij is ommuurd; ik kan mezelf zijn zonder inkijk. Én ik kan vasthouden wat ik verworven heb. Dat is belangrijk, want ik kan moeilijk loslaten. En mijn tuin houdt vast voor mij. Niet alleen de planten. Ook vogels: merels, meesjes, heggenmussen, roodborstjes, nu en dan een brutale specht, en zelfs een winterkoninkje. Ieder jaar weer bewonen ze hun eigen plekjes in onze tuin. In de afgelopen jaren was er nóg iets wat mijn tuin vasthield: Joris, onze huiskikker! Hoe hij in ons vijvertje terecht is gekomen, weten we niet. Door de tuinpoort gewipt in een onbewaakt moment? Uit de bek van een reiger gevallen? Of opgegroeid uit met slootwater binnengekomen kikkerdril? Hoe het zij: op een dag was hij er. En hij bleef. Zijn lievelingsplekje werd de met rotsplanten begroeide boomstronk naast de vijver. Daar zat hij zodra er maar een straaltje zon te zien was, glanzend en tevreden vliegjes te vangen. Hij verkende alle hoekjes van de tuin. En waagde zich ten slotte ook binnenshuis, bezocht de woonkamer via de tuindeuren, mijn werkkamer via het openstaande raam. Hij was bescheiden, hij kende zijn plaats. Als ik zat te werken, zat hij roerloos op de vensterbank en keek met zijn bolle ogen naar mijn gedoe, alsof hij er alles van snapte. Als ik hem om raad vroeg bij mijn schrijfwerk, luisterde hij aandachtig, hupte voorzichtig wat dichterbij. Je zag hem nadenken. Zijn adviezen beperkten zich weliswaar tot ’kwaak’ en ’kwak’, maar ik snapte wat hij bedoelde. In de late herfst gaf hij er de brui aan. Als de eerste nachtvorst in aantocht was, dook hij onder in de vijver en bleef daar voor de rest van de winter. Om op de eerste warme lentedag weer op te duiken, gereed voor een vrolijk en onbekommerd zomerbestaan. Tot ons groot genoegen. Hij was tenslotte een geaccepteerde huisgenoot, hij hoorde bij ons. Maar in de derde lente na zijn verschijnen liet hij het afweten. Wij wachtten dagenlang tevergeefs op gehop, geplons, gekwaak. Maar niets. Joris was weg.Onze tuin had een stukje specifiek leven verloren. En ik moest weer eens oefenen in het loslaten. Miek van Thiel G R O E I&BL O E I–S PEC IAL TU I N PR AK TIJK 17 Foto: Leo Bogert Pagina 12

Pagina 14

Heeft u een onderwijscatalogus, invender of online whitepapers? Gebruik Online Touch: pdf online bladerbaar uitgeven.

Groei en Bloei februari2015 Lees publicatie 10036Home


You need flash player to view this online publication